”We nemen je mee.” zegt een man in een lange witte jas, onderhandelen lijkt niet mogelijk. Ik vermoed dat het een dokter is.
”Waarheen?” vraag ik en zet me schrap om de deur dicht te smijten. De man heeft het deur en zet z’n voet er voor.
”Daar de vrolijke boerderij met bomen, bloemen en tjirpende vogels.” de twee spierbundels achter hem doen een stap naar voren.
”Mag ik nog even bellen en m’n spullen pakken?” zeg ik. In mijn hoofd heb ik een plan.
”Op één voorwaarde. Wij zijn er bij.” ik knik, draai me om en haal m’n telefoon uit m’n broekzak. Ik heb een vermoeden wie ze heeft gestuurd. Ik bel en de telefoon gaat over. Na een paar seconden wordt er opgenomen.
”Ik deed alles voor je en zo betaal je me terug!? Na al mijn liefdevolle, onzelfzuchtige daden!?” het blijft stil. ”Er staan een man in een witte jas en twee spierbundels in mijn huis! Jij hebt dit gedaan! Jij wil…” ik voel me slaperig. ”Wat…” ik stort ter aarde.
Wanneer ik weer wakker word lig ik op een hard bed. Banden om mijn polsen en enkels. Ik weet nu al dat ik niet los kan komen. Ik kijk de kamer rond. Er staat niks in, geen tafel, geen schilderij aan de muur, geen stoel, zelfs geen raam. Het is een grote witte grafkist. De deur schuift opzij en voor me staat een man met een grote lach en fel groen haar. Hij begint manisch te lachen, komt naar het bed en maakt me los. Ik kijk door de deuropening en zie een man, duidelijk een patiënt, met een shotgun over de gang rennen, een schot en gejoel.
”Wat is er aan de hand?” vraag ik. Mijn bevrijder zegt niks. Ik spring van het bed en voel in m’n zakken. Geen telefoon, geen sleutels, geen sigaretten. Mijn bevrijder loopt de deur op en gaat naar rechts. Ik besluit hem maar te volgen.
Hij leidt me naar een klein kantoor waar een plastic zak gevuld met spullen ligt. Mijn spullen. Ik pak ze en stop ze in mijn zakken. We horen een klein gilletje. Mijn bevrijder fluit en de patiënt met de shotgun komt er aan lopen. Ik heb hier geen goed gevoel over. Mijn bevrijder loopt naar de kast waar het geluid vandaan kwam. Ik blijf roerloos staan. Hij gooit de kastdeur open en we zien een jongedame van nog geen zevenentwintig in de kast staan met haar handen voor haar mond. Mijn bevrijder komt dichterbij en haalt een mes tevoorschijn. Met het blad streelt hij haar wang. Hij komt dichterbij haar gezicht, twee centimeter voor haar gezicht komt hij niet meer dichterbij.
”Boe.” fluistert hij. Ze gilt. Mijn bevrijder doet een stap opzij en de patiënt haast zich naar de jongedame en schiet haar hoofd kapot.
”Dat was toch nergens voor nodig. Waar ben je mee bezig.”
”Opstand. Zoete, glorieuze opstand.” hij lacht weer manisch en huppelt het kantoor uit.
”Stop!” wordt er door de gang geschreeuwd. We draaien ons om en zien een grote man met een AK-47 staan. Mijn bevrijder zucht, de patiënt doet z’n shotgun naar beneden. Ik kijk naar ze en besluit iets te doen. Rennen, weg van de man. Ik hoor schoten. Mijn rug word nat. Weer stort ik ter aarde.
Ik schiet overeind. Mijn rug is nat. ik voel en kijk naar mijn hand, geen rood. Het is zweet. Mijn hartslag kalmeert en ik leg mijn gezicht in m’n handen. Ik zucht en laat me achterover vallen. Op de radio klinkt Neuroticfish met They’re Coming To Take Me Away.
Ik lach om de ironie.



