Ik kom met m’n lippen bij haar oor en roep er iets in. Ze lacht en stoot tegen m’n schouder aan. Ik ken haar net, amper twee uur. We dansen verder in de drukte en benauwdheid. Mijn shirt plakt tegen mijn lichaam, net als mijn broek. Ik wist niet dat ik kon dansen. Tenminste, dansen op deze muziek die ik alleen ken van vroeger toen ik nog elk weekend uitging, aan de bar hing met vrienden en mensen observeerde. Nu maak ik het mee, een paar jaar te laat maar ik maak het mee. Ik voel handen op m’n rug en schouders van mensen die willen passeren. Ze roept iets in mijn oor, haar lippen raken mijn oor. Ik heb geen idee wat ze zei, ik knik en lach. De goede reactie. Ik bedenk me dat dat mijn leven is. Bluffen, veel bluffen en weinig weten over veel dingen. Behalve politiek, dat boeit me niet. Ik word naar haar toe gedrukt, ik lach ongemakkelijk. Het is een ongemakkelijke afstand, zo’n afstand die je hebt wanneer je elkaar aan het uitdagen bent, net niet tegen zoenen aan. Ik trek m’n wenkbrauwen op. Ze moet lachen en geeft me een kus op de wang. Ik ben verbaasd. Dat, en ik heb meer bier nodig. Ik kijk de barvrouw aan en steek twee vingers op. Ze tapt twee biertje en ik geef haar vijf euro. De barvrouw geeft mijn wisselgeld ik geef haar een biertje, we proosten.
Het is al laat, normaal zou ik nu op bed liggen. Op bed liggen of schrijven. Drie uur ‘s nachts, drank in mijn lijf, rook in mijn longen. Ik blaas de rook uit naar boven en leun achterover. Ik heb nog genoeg energie, iets wat niet vaak voorkomt wanneer ik al zes uur geen koffie heb gehad. Koffie, daar heb ik nu zin in. Beetje melk, twee zoetjes. Ze komt binnenlopen en pakt m’n sigaret uit m’n hand. Ik steek een nieuwe op. Gezien hoe ze de sigaret vasthoudt is ze een gelegenheidsroker. Niet dat het wat uitmaakt. Ik pak haar glas van de plateau achter me en geef het aan haar, ze houdt het glas omhoog en drinkt. Ik ken haar nu, vier uur. Geen naam, geen Facebook, geen nummer. Wat niet is kan nog komen, en meer van dat soort ongein. Ze zegt dat de tent over een halfuur dicht gaat. Om de drukte voor te zijn stel ik voor na de sigaret te gaan, ze knikt en houdt haar duim omhoog.
Een suis in m’n oor. Gedempt geluid. Honger. We lopen, nergens heen. Gewoon lopen. Zij weet waar we heen lopen, ik niet en het maakt me niet uit. Geen romantische gedachte van; zolang ik maar bij haar. We lopen een steeg in en stoppen bij een grote blauwe deur, uit haar tasje pakt ze haar sleutels en maakt de deur open. Ik loop achter haar aan naar boven, ik kan het niet helpen te fantaseren over haar broek uit.
Koffie. Melk, twee zoetjes. De zon schijnt door een kier van niet sluitende gordijnen. Ik in alleen m’n broek, zij in joggingbroek en een te wijd shirt waardoor haar schouder iets ontbloot is. Ik neem een slok koffie en ga achterover zitten. Ze zegt dat ik kan roken op haar balkon. Alsof ze in m’n hoofd zit. Ik trek de gordijnen open, maak de deur open en stap het balkon op. Ik pak m’n sigaretten en steek er één op, gevolgd door een hoestaanval. Elke ochtend hetzelfde liedje.
Ik geniet van het uitzicht. Daken, schots en scheef, strakblauwe lucht en een vliegtuigje. Ik hoor sissen van boter in de pan, kort geklop en meer gesis. Ik draai me om maar zie niet wat ze maakt. Ik rook m’n tweede sigaret op en neem de laatste slok koffie. Koffiedik kruipt door het kopje. Ik denk aan Harry Potter, in de film lezen ze de toekomst door te kijken in koffiedik. Ik zie er geen vorm in, het is vormloos. Misschien is dat mijn toekomst. Vormloos, blijvende verandering terwijl ik andere plannen maak om te leven. Ik haal m’n schouders op, neem een laatste trek van m’n sigaret, schiet hem vervolgens de verte in en stap naar binnen. Het ruikt naar eieren en gebakken spek.
Aan al het goeds komt een eind. Dit is een tijdelijk eind. Zij gelooft in het lot. Ik moet haar beloven niet op zoek te gaan naar haar wanneer ik weer in de stad ben. Het lot, ik lach van binnen maar laat niks merken. Helaas voor mij ben ik een man van mijn woord. Ik beloof dat ik niet naar haar opzoek ga. Ze pakt mijn gezicht vast en zoent me. Ik blijf het een raar gevoel vinden, twee tongen die elkaar aanraken. Na onze zoen plaatst ze een kleine kus op m’n bovenlip. Ze grapt dat ik me de volgende keer moet scheren. Ik lach en kus haar hand. Ik loop de stad in. Zonnig, warm, mooi. Tijd voor cappuccino.