Het vrouwtje van Stavoren

Het vrouwtje van Stavoren

Gepost op: 13 Feb 10
Categorie: Mensen
Geschreven door Phil
Post Rating:


(2x gestemd, gemiddeld: 4.50 van de 5)
Loading ... Loading ...

Hoort, vrienden, hoort een lied,
Dat duidelijk zal verklaren,
Wat eenmaal is geschied,
Voor meer dan duizend jaren.
Toen oud en grijs Stavore
Nog bloeide op Frieslands grond
En van zijn macht deed hooren,
Door heel het wereldrond.

Daar in die rijke stad,
Die jaarlijks duizend schepen,
Belaan met ‘s wereld schat
Haar haven in zag slepen,
Daar leefde in roem en eer,
Een rijke weduwvrouw,
Wiends voorbeeld ons zal leeren.
Hoe hoogmoed voert tot rouw.

Geen kopen, neen, maar goud,
Zoo sprak zij, siert mijn woning,
En ‘t huis voor haar gebouwd
Scheen ‘t woonhuis van een koning.
‘t Was al wat oogen zagen
Vol vorstelijk praal
En hoeft men meer te vragen
De stoep was van metaal.

De leuning was zeer schoon
Uit louter gou gedreven,
De deurknop scheen een kroon
Met paarlen als omgeven
En breede, zilvren platen
Geklonken aan den grond,
Bedekte al de straten
Zoover haar woning stond.

Daar treedt een zeekaptein,
Haar bij de haven tegen,
Wat, sprak ze, zal het zijn,
Wat schoons hebt gij verkregen,
Wat heerlijks brengt gij mede
Uit overzeesch gebied,
Uw schip ligt op de reede
Mar hoe gij antwoordt niet?

‘k Heb immers u belast
Het kotelijkst in te laden
Wat rondom de Oostzee was,
En ‘t oog hier kan verzaden.
Wie zich aan prijs mocht storen,
‘k Vraag nimmer naar het geld.
De weduw van stavoren,
Wordt niet teleurgesteld.

‘k Bracht tarwe naar uw zin,
Al edelst wat wij vonden,
Aan stuurboord kwam het in,
Zooveel wij laden konden.
Hoe gilt zij dol van zinnen,
Hoe, tarwe? lage guit!
Bracht gij ze aan stuurboord binnen,
Zoo werp ze aan bakboord uit.

Helaas, het kostelijke graan
Werd in den vloed geworpen.
Een grijsaard die het zag
Uit een der naaste dorpen,
Beef, sprak hij, o vrouwe,
Wellicht lijdt ge eens gebrek,
Dat nooit dit stuk u rouwe,
Zwijg, sprak ze, grijze gek.

Ze lachte en greep haar ring
En wierp met luid geschater,
Terwijl ze heneging,
Hem weg in ‘t woelig water.
Kijk, riep ze, dwaze kerel,
Eer geeft de zee weerom,
Deez’ schoone ring en parel,
Eer ik tot armoe kom.

Het duurde een dag of acht,
Toen werd op haar verlangen
Een groote visch gebracht,
Zoo pas in zee gevangen.
Maar sidderend zonk ze neer,
Want reeds met de eerste snee,
Vond zij haar ring toen weder,
Laatst geworpen in de zee.

Daar treedt een dienstknecht in,
Uw schepen zijn verloren,
De zee zwelgt alles in
Gods wraak rust op Stavoren,
Een andere knecht snelt binnen
En biedt haar een brief aan.
God, gilt ze woest van zinnen,
Mijn glorie is vergaan.

1 Comment

  1. Jorynke!

    hoi . :)

Denk je dat je er iets over te zeggen hebt?