”En waarom denk jij dat je nu zo bent?”
”Is dat niet jouw baan? Luisteren naar wat ik zeg, nadenken en mij dan vertellen hoe ik me beter ga voelen?”
”Je bent sceptisch.”
”Wie zou dat niet zijn? Je gaat naar iemand toe die voor z’n werk naar de problemen naar anderen luistert. Wat voor ramptoerist ben je dan wel niet!?”
”Waarom ben je hier gekomen?”
”Omdat het moet.”
”Je kan ook weigeren. Je hebt geen bevel gekregen, als je nu gaat zijn er geen consequenties.”
”Dan ga ik.”
”Zonder je beter te voelen.”
”Alsof dit gesprek daar iets aan gaat veranderen.”
”Je zult het niet weten als je nu gaat.”
”Inspelen op m’n nieuwsgierigheid… slim.”
”Dus. Waarom voel je je zo?”
”Ik ben misschien wel iets te voorbarig geweest.”
”Waarmee?”
”Ik schrok van wat iemand zei, het benauwde me zelfs. Wat raar is want ik zeg het zelf zo vaak… maar als grap maar diegene meende het, geloof ik.”
”En wat was het?”
”Schat. Nouja, eigenlijk meer…”
”Ja…”
”Niet meteen gaan zeggen dat het bindingsangst is of dat ik bang ben mensen dichtbij te laten komen, dat weet ik zelf ook wel.”
”Je hebt mijn woord.”
”Mijn leven is een sprookje. Geromantiseerde beelden over liefde, de droomvrouw, the girl next door en meer van dat soort ongein. Dan denk ik dat ik er klaar voor ben, dat ik er echt voor kan gaan en dan blijkt het niet zo te zijn. Maar goed… het andere. Dat gevoel van dat er iemand op je wacht als je thuis komt, iemand die je graag ziet, de kus als je weggaat, weerkomt, gewoon omdat het kan of omdat je blij bent. Dat wil ik… dat kan ik niet. Ik weet dat ik mensen niet dichtbij laat en ik weet ook waarom. Ik ben geen aardig persoon van tijd tot tijd en om mezelf het verdriet te besparen van iemand die weggaat duw ik zo ver weg of verpest ik het zodat ze niet meer dichterbij willen komen. Zelfs met vrienden. Ik zeg veel zonder echt wat te vertellen. Op hun beurt vertellen ze mij juist veel, problemen, gebeurtenissen, weet ik veel wat allemaal. Mensen mogen niet dichtbij komen. Ik wil ze niet in mijn wereld zuigen.”
”Je weet het echt al.”
”Inderdaad. Maar ik kan er niks mee doen, want ik ben veel te bang dat ik een keer echt gelukkig word.”
”Waarom ben je daar bang voor?”
”Sommige mensen kunnen genieten van de pijn. De ellende en de wanhoop. De dipjes, depressies en duistere gedachten. Mijn eigen wereld. Geen perfecte wereld maar het past bij mij en m’n geschiedenis.”
”Welke geschiedenis?”
”Lang, schokkend en vermoeiend om nog een keer te herhalen.”
”Maar het heeft indruk op je gemaakt.”
”Dat wel.”
”En je vindt dat je niet gelukkig mag zijn door die geschiedenis.”
”Soort van.”
”Ik kan vertellen dat je het waard bent, het leven mooi is en dat overal een bedoeling achter zit maar dat zou je toch niet geloven.”
”Je begint me al te kennen.”
”En dat na een paar minuten.”
”Je verdient opslag.”
”Niet overdrijven.”
”Sorry.”
”Dus je voelt je nu zo omdat te voorbarig bent geweest omdat iemand ‘schat’ tegen je zei, je kan er op een manier wel van genieten maar je wilt het nu niet.”
”Juist.”
”En wat als je het wel probeerde. Iemand dichtbij laten komen. Jouw wereld laten zien.”
”Dan zou ik een mes in m’n rug krijgen.”
”Dat vul je nu zelf al in.”
”Ervaring is een goede leermeester.”
”Niet alle mensen steken je in de rug.”
”De meeste wel.”
”Van wat jij hebt meegemaakt.”
”Zou jij het niet doen dan?”
”Nee.”
”Je liegt. Op een gegeven moment ben je de drama zat, verhef je je stem, zeg je dat ze zich niet moeten aanstellen en loop je weg. Van het één komt het ander en de vriendschap is voorbij.”
”Waarschijnlijk wel. Maar als je nou van iemand houdt… dat is een ander verhaal.”
”Precies hetzelfde. Liefde maakt blind. Of moet ik zeggen, verliefdheid maakt blind. Daarna wordt het houden van, geven om en wil je zo graag dat ze de ideale persoon worden.”
”Je hebt te veel vrije tijd.”
”Of ik spreek uit ervaring. Denk je nou echt dat ik niet precies hetzelfde heb gedaan? Ik ben ook maar een mens.”
”Die zag ik niet aankomen.”
”Hoezo niet?”
”Ik vind je meer een persoon die zichzelf boven anderen zet.”
”Dat doe ik ook. Maar ik ben maar een mens. Ik maak ook fouten, ik ga ook de mist in. Wat mij misschien iets anders maakt is dat ik regels en principes heb waar ik me aan moet houden.”
”Van wie?”
”Van mezelf.”
”Waarom?”
”Omdat… omdat ik dat moet.”
”Wat zijn de regels?”
”Doe anderen geen kwaad. Help mensen. Geniet van de kleine dingen. Zorg voor anderen. En dat gaat zo nog wel even door.”
”Waaronder: mensen niet dichtbij laten komen en niet gelukkig worden.”
”Dat is geen regel. Oké, het laatste wel maar de eerste niet.”
”Wat is de eerste dan?”
”Dat is een afweermechanisme. Ik moet mezelf beschermen tegen pijn.”
”Maar het veroorzaakt juist je pijn.”
”Een pijn die minder erg is.”
”That wich we call a rose, by any other name would smell as sweet.”
”Shakespeare. Romeo en Julia.”
”Dan weet je ook wat ik bedoel.”
”Dat weet ik inderdaad maar laat mij gewoon in deze waan. Waarom zou ik wat ik niet heb en koester verspelen voor iets wat niet waar kan zijn.”
”Acda en de Munnik.”
”Één van m’n favorieten.”
”Het is ook mooi.”
”Dus. Voel je je al iets beter?”
”Het lucht in ieder geval op.”
”’Wil je nog meer kwijt?”
”Waar zal ik eens beginnen…”








































