Ik loop over straat. Over mijn schouder heb ik een rugtas hangen met daarin het manuscript van m’n nieuwe boek. Het is een bundel van korte verhalen die zo’n honderd pagina’s lang is. Ik ben onderweg naar mijn uitgever die, zoals bij elk nieuw manuscript of idee me uitnodigt voor een borrel, ‘s avonds laat. Ik loop stevig door, m’n focus op de stoeptegels, ik probeer gelijkmatig te lopen. Tegel, rij tegels, tegel. Het is bijna ritmisch te noemen. Iets in me zegt me dat ik moet opkijken. Net op tijd stop ik met lopen of ik was tegen een man aangelopen die een taxi probeert aan te houden. Ik kijk rond en zie een dame achter een raam in haar ééntje dineren. Ze heeft kastanjebruin haar dat glimt, bloedrode lippen en een lichte huid. We maken oogcontact. Ik ben verblind door liefde, in mijn buik fladderen miljoenen vlinders rond. Ik draai me bij en zet een stap vooruit, in een plas water. Alles om me heen lijkt in slow motion te gaan. Het gebrul van de auto’s ebt langzaam weg. In mijn hoofd klinken de prachtige klanken van violen. Het water uit de plas spat omhoog en blijft zweven. Ik doe nog een stap vooruit.
Zij zet haar wijnglas neer en staat op, haar stoel schuift naar achteren, ze doet een stap, nog één en nog één. Haar voet breekt het glas, de ruit vertoont scheurtjes en spat uiteindelijk uiteen. Haar voet komt neer op de grond. Het glas blijft als diamanten om haar heen zweven.
Vanaf rechts komt een auto aangereden, ik zie hem niet aankomen, mijn focus op haar. Hij wijkt uit en raakt in de slip, vliegt over de kop, momentum. Het voertuig vliegt rakelings over me heen en knalt op de grond. Geen geluid. We komen dichterbij elkaar. Ze heeft mokka kleurige ogen. Twee meter, nog een stap. Een meter, we sluiten onze ogen, getuite lippen. Ik voel haar dichterbij komen, ik raak haar hand aan.
Ze glimlacht en ik glimlach terug. Het geluid komt terug, de chaos. Ik blijf nog twee seconden staan, draai me bij en loop door, focus op de stoeptegels.